GENOOTSCHAP > TWINTIG JAAR

TWINTIG JAAR GENOOTSCHAP
 

uit "De Pelgrim" nr. 80, maart 2005

Het ontstaan

De stichting van het Vlaams Compostelagenootschap in 1985 is het initiatief geweest van twee individuen die elk op hun manier in de ban van Santiago waren geraakt. Wilfried Wijn was een van de eerste Vlamingen om met de fiets naar Santiago te trekken. Pater Mondelaers had tijdens zijn verblijf in Frankrijk de Jakobswegen leren kennen en had vooral belangstelling voor de culturele en historische betekenis van de pelgrimage naar Santiago. Dat het Genootschap vervolgens in korte tijd is uitgegroeid tot een vereniging die in heel Vlaanderen bekendheid geniet, had het te danken aan de grote tentoonstelling over de pelgrimswegen naar Santiago die in hetzelfde jaar in Gent plaatsvond. Zo is, kort samengevat, onze vereniging ontstaan;

De herontdekking van Santiago

Vooraleer dieper in te gaan op de details van deze geschiedenis, wil ik eerst even een beeld schetsen van het wetenschappelijk onderzoek over de Jakobswegen in die dagen en van de groei van hun populariteit. Laat me beginnen met de vaststelling dat de herontdekking van Santiago als reisdoel slechts in het laatste kwart van de vorige eeuw op gang is gekomen. In Spanje was aan het begin van de twintigste eeuw de pelgrimage naar Santiago zo goed als uitgestorven. De herontdekking van het graf van de apostel Jacobus en de bevestiging door Paus Leo XIII van de echtheid van de relieken, veranderen daar niets aan. Het was wachten op generaal Franco, zelf afkomstig uit Galicië, die de traditie van Sint-Jakob als patroon van Spanje op handige wijze wist in te schakelen in zijn nationalistische politiek. Zo werd hij ertoe gebracht om ook het wetenschappelijk onderzoek rond de bedevaart naar Santiago te bevorderen. In 1945 verscheen het driedelige werk Las peregrinaciones Jacobeas, het eerste standaardwerk rond het thema. Het werd bekroond met een ereprijs door Franco uitgereikt. In Frankrijk hadden E. Mâle en J. Bedier in de jaren twintig reeds gewezen op de belangrijke rol van de Jakobswegen bij de verspreiding van de Romaanse kunst.

In 1939 beëindigde Jeannine Veillard haar vertaling van het vijfde boek van Codex Calixtinus, de zogenaamde Gids voor de Pelgrim. Vooral dit laatste werk spreekt in Frankrijk tot de verbeelding van velen. In 1650 wordt te Parijs de eerste Santiagovereniging, de Société des Amis de Saint-Jacques de Compostelle. Ze wordt in 1965 aangevuld met een Centre d'études compostellanes met de bedoeling om het wetenschappelijk onderzoek over de Jakobswegen te stimuleren. De belangstelling voor de Jakobswegen bereikt in die periode stilaan het grote publiek. Er treden wetenschappers op de voorgrond wier studies grote bekendheid verwerven, zoals E. Labande, G. Jugnot en R. Oursel. Ook talloze amateur-historici interesseren zich voor het fenomeen. De definitieve bevestiging komt in 1978. In dat jaar publiceren twee journalisten, P. Barret en J.N. Gurgand een boek met als titel Priez pour nous à Compostelle. Daarin combineren ze hun eigen ervaringen van een tocht naar Santiago met de bevindingen en hypothesen van wetenschappers. Een boek, geschreven in meeslepende stijl, dat voor velen de inspiratie wordt voor een reis naar Santiago.

In die tijd is het Franse Genootschap het enige in zijn soort. De talloze genootschappen in Spanje dateren slechts van na 1990, met uitzondering van de Amigos del Camino de Santiago van Estella, dat opgericht werd in 1962. De hedendaagse belangstelling in Spanje voor de Camino is dus helemaal niet zo oud als men zou denken. In feite is het zelfs zo dat de grote buitenlandse genootschappen ouder zijn en dat de stimulans om de camino francés opnieuw tot leven te wekken voor een groot gedeelte van buiten Spanje kwam.

Twee initiatieven

In 1967 komt pater Mondelaers, na een verblijf van zes jaar in Congo, aan in Parijs, waar hij zich het lot aantrekt van de Afrikaanse gastarbeiders. Hij staat er geruime tijd aan het hoofd van een parochie. Tijdens de zomermaanden gaat hij op verkenning in het Franse binnenland. Hij is sterk geïnteresseerd in kunst en geschiedenis en komt op deze wijze al vlug op het spoor van de vier grote Franse Jakobswegen. Te Parijs maakt hij kennis met mevrouw J. Warcollier, secretaris van de Société des Amis de Saint-Jacques en wordt lid van de vereniging. Zijn interesse voor Sint-Jakob is gewekt en zal hem nooit meer loslaten. In 1982 keert pater Mondelaers terug naar de Sint-Andriesabdij te Brugge. Rond die tijd rijpt bij hem het plan om in Vlaanderen ook een Compostelavereniging op te richting. J. Warcollier, met wie hij in contact is gebleven, spoort hem daartoe aan, net zoals ze ook enkele jaren voordien haar Engelse vrienden stimuleerde om in Groot-Brittannië een vereniging op te richten, wat effectief gebeurde in 1983. In zijn familie en in zijn vriendenkring vindt hij zonder veel moeite enkele tientallen belangstellenden die bereid zijn zich aan te sluiten.

Brugge was echter niet de enige plaats in Vlaanderen waar het Compostelavirus begon te woeden. In dezelfde periode trok een andere figuur in Vlaanderen rond met dia's over zijn Compostelatoch. Zijn naam was René Brynaert. De achtergrond van zijn belangstelling lag vooral in het langeafstandswandelen. Hij had reeds vaker grotere tochten gemaakt en ontdekte op die manier Santiago als reisdoel. Met bescheiden middelen gaf hij in 1979 een reisgids uit van de camino francés, de eerste in het Nederlands. Hij baseerde zich daarbij op een Franse reisgids samengesteld door Abbé Bernès. In Spanje was eind de jaren zeventig Don Elías Valiña Sampedro, een andere pionier, begonnen met de bewegwijzering van de camino, wat het samenstellen van een topogids mogelijk maakte. Een van de mensen die zich door Brynaert lieten inspireren om zelf op tocht naar Santiago te gaan was Staf Peeters. Die bracht Wilfried Wijn op het idee om in 1980 met de fiets naar Santiago te trekken. Wilfiried publiceerde zijn reiservaringen en omdat hij lid was van Sporta, een sportorganisatie die zijn wortels had in de Norbertijnerabdij van Tongerlo, koesterde hij het plan om binnen Sporta, naar analogie van de Jakobsbroederschappen van destijds, een hedendaagse broederschap van Santiagogangers op te richten. Sporta had de infrastructuur die daarvoor kon dienen. Het beschikte bijvoorbeeld over een bibliotheek en documentatiecentrum. Deze zouden kunnen gebruikt worden om aan toekomstige pelgrims informatie te bieden.

Oprichting van het genootschap

Eind 1984 waren zowel pater Mondelaers als Wilfried Wijn ver gevorderd met hun plannen. Beide groepen traden met elkaar in contact. Ze zagen in dat het weinig zin had om in Vlaanderen uit te pakken met twee Compostelaverenigingen en dat overleg wenselijk was. Het bleek bovendien dat de invalshoeken van beiden complementair waren. Pater Mondelaers' interesse ging in eerste instantie uit naar geschiedenis en cultuur, terwijl Wilfried Wijn vooral het beleven van de tocht centraal stelde. De oplossing die werd uitgedokterd was typische Belgisch: één genootschap en twee onderafdelingen. De broederschap van de pelgrims zou onderdak krijgen in Sporta en het studiegenootschap in de Sint-Andriesabdij te Brugge. Volledigheidshalve dient nog opgemerkt dat vanuit het Volkskundemuseum te Gent belangstelling was ontstaan om te participeren in het studiegenootschap, wat ertoe leidde dat Roel van de Walle (reeds overleden), conservator van dit museum, aangesteld werd om het studiegenootschap te leiden. Wilfried Wijn nam de leiding op zich van de broederschap, terwijl pater Mondelaers secretaris werd van de overkoepelende vereniging, die het statuut kreeg van vzw. Bleef dan nog het probleem om een geschikte voorzitter te vinden. Ook hier liet een oplossing niet lang op zich wachten. De Leuvense hoogleraar kunstgeschiedenis, J.K. Steppe, werd bereid gevonden deze functie op zich te nemen. Of althans deze titel te willen dragen, want hij had van bij het begin duidelijk gemaakt dat hij de vereniging niet zou leiden. Met de installatie van de door Sporta geleverde ondervoorzitter op het niveau van overkoepelende vereniging waren alle evenwichten voldoende gerespecteerd. Deze functie werd waargenomen door prof. dr. U. Claeys, die later directeur-generaal van Toerisme Vlaanderen zou worden.



Met ieders instemming kwam op die wijze de dagelijkse leiding van de vereniging in handen van pater Mondelaers.
De vereniging hield haar eerste bijeenkomst op 20 april 1985 in het Sportacentrum te Tongerlo. Het was de start van een traditie die nog steeds bestaat, hoewel de inhoud van deze bijeenkomsten sterk is geëvolueerd. Bij volgende gelegenheid werd het Vlaamse Compostelagenootschap officieel opgericht. Mevr. J. Warcollier van het Franse Compostelagenootschap woonde deze vergadering bij. De vereniging kreeg onmiddellijk de wind in de zeilen. In juli 1985 telde men 240 leden; in april van het jaar daarop was dit aantal reeds gestegen tot 441. Enkele maanden later werd het programma bekend gemaakt voor het kunst- en cultuurfestival Europalia 1985-86. Toevallig was Spanje aan de beurt. Het bleek dat een grote tentoonstelling over de pelgrimstocht naar Santiago werd geprogrammeerd die zou plaatsvinden in de Sint-Pietersabdij in Gent. Een wetenschappelijk comité nam de voorbereiding van deze manifestatie op zich. Het bevatte naast J.K. Steppe een aantal andere gezaghebbende specialisten: P. Caucci von Saucken (Perugia), R. de La Coste-Messelière (voorzitter van het Centre des Etudes Compostellanes te Parijs), R. Plötz (Museum voor Volkskunde Kevelaer) en J. Van Herwaarden (Erasmus Universiteit Rotterdam). Het was de eerste keer dat een tentoonstelling van die omvang rond het thema van de Jakobswegen werd georganiseerd. Analoge initiatieven vonden slechts in de jaren negentig in Spanje plaats, wanneer de Galicische regering het Jubeljaar in Santiago aangreep om een aantal grote culturele manifestaties op het getouw te zetten. De tentoonstelling te Gent werd een groot succes, hoewel de catalogus duidelijk de sporen liet zien van haastwerk. Pater Mondelaers kreeg als taak om de gidsen op te leiden en begeleidde zelf een groot aantal groepen. Het Compostelagenootschap nodigde de genootschappen van Groot-Brittannië en Frankrijk uit om een bezoek te brengen aan de tentoonstelling en organiseerde zo zijn eerste internationale bijeenkomst. Ze vond plaats van 9 tot 11 november 1985 en werd ook bijgewoond door een groep van belangstellenden uit Wallonië en Nederland. Ook daar begon men te denken aan de oprichting van een eigen vereniging.

Eerste levensjaren  

Wanneer men de eerste twee jaargangen van De Pelgrim doorneemt, wordt men vooral getroffen door het enthousiasme en de energie die pater Mondelaers in die periode aan de dag legde om zijn vereniging verder uit te bouwen. Je leest hoe de eerste pelgrims zich aanmelden en hoe ze worden ontvangen. In de eerste maanden reeds wordt gedacht aan het uitbouwen van een studiebibliotheek. Pater Mondelaers fabriceert een geloofsbrief om mee te geven aan wie vertrekt en in Antwerpen bouwt Jaak Baret stilaan een verkoopdienst uit. In de zomer van 1985 trekt pater Mondelaers voor de eerste keer naar Spanje. Hij heeft een heel gezelschap mee: J. Baret, F. Dendooven die tot 1999 de taak heeft waargenomen van schatbewaarder van onze vereniging, pater L. De Prest van de Sint-Andriesabdij en dr. J. Reinaerds, een van de stichtende leden. Het wordt een onvergetelijke ervaring. Pater Mondelaers ontpopt zich tot een vijfsterrengids, op vele plaatsten ontmoet men leden die onderweg zijn en men houdt regelmatig halt om te genieten van de goede dingen des levens maar ook om de nodige contacten te leggen met de figuren die zich op bepaalde etappeplaatsen inzetten voor het onthaal van de pelgrims en de opwaardering van de camino. Pater Mondelaers weet hun harten te winnen en vestigt op die manier ook de naambekendheid die onze vereniging nog steeds langs de camino bezit. De onderneming wordt het jaar daarop herhaald en groeit uit tot een gewoonte, met telkens andere deelnemers die naar huis terugkeren met legendarische verhalen over wat ze onderweg hebben beleefd.

Aan het eind van elke reis blijft Pater Mondelaers een tijdje in Santiago en helpt er met het onthaal van de aankomende pelgrims. Een gebaar dat daar sterk wordt geapprecieerd: zowel door de aankomende pelgrims als door de kerkelijke autoriteiten. Het is niet zeker dat pater Mondelaers zich bij de stichting van Genootschap gerealiseerd heeft dat de begeleiding van Santiagogangers zo belangrijk zou worden. Het was in ieder geval een taak waaraan hij zich al vlug met hart en ziel wijdde. Dat dit moest gebeuren binnen het kader van de abdij waarvan hij deel uitmaakte, was voor hem een zegen maar soms ook een rem. De abdij leverde immers het geschikte kader voor de ontwikkeling van een spiritualiteit die de hedendaagse pelgrim aanspreekt. In die zin trad pater Mondelaers in de voetsporen van de Franse pater Henri Branthomme die kort na de Tweede Wereldoorlog was begonnen met de organisatie van bedevaarten naar Santiago. Hij zag in dat bij velen die vandaag naar Santiago trekken ook spirituele motieven een rol spelen en rekende het tot zijn taak om hen hierin bij te staan. Aan de andere kant was de abdij ook vaak te klein voor pater Mondelaers. Een abdijgemeenschap is nu eenmaal gestoeld op regelmaat en rust en daar had hij het soms moeilijk mee. Niettemin heeft de abdij hem steeds gesteund bij zijn werk. Het genootschap kreeg er een lokaal waar het vooral in het weekend gonsde van de drukte. Gasten die van ver gekomen waren, bleven in de abdij logeren en regelmatig ontvingen in de abdijkerk pelgrims voor hun vertrek de zegen.
Net als iedere vereniging was ook het Compostelagenootschap bestendig in evolutie. Naarmate de belangstelling toenam voor Santiago dook de vraag op wat precies de taak was van de vereniging en hoe ze haar activiteiten verder moest uitbouwen. Deze vragen komen aan bod in de volgende afleveringen.

Dirk Aerts